We proberen onze ervaringen zo kort en bondig mogelijk via onze website te vertellen, maar dit avontuur heeft iets meer woorden nodig. We vlogen van Jakarta naar een klein vliegveldje in de provincie Lampung in Zuid Sumatra. Hier ligt ‘Way Kambas National Park’. Van Peter, de oom van Iris, en via de Lonely Planet (onze reisbijbel) vernamen we dat hier veel olifanten leven en dat het zelfs mogelijk is een ritje op een olifant te maken.
Op het vliegveld Raden Intan werden we al snel belaagd door hordes taxi chauffeurs die ons maar al te graag ergens heen wilden brengen. Niemand sprak Engels en daardoor kregen we het gevoel alsof wij de controle een beetje verloren. Gelukkig zagen we een iets te grote moslim vrouw met een enorme pukkel op haar voorhoofd, in een iets te klein hokje met daarboven een bordje ‘informasi’. Zij sprak redelijk Engels en begreep wat wij wilden. Ze nam het voor ons op tegen een leger van taxi chauffeurs, mannetjes in uniform en lokale bewoners. Na veel over en weer geschreeuw en onderhandelen werden we uiteindelijk in een taxi gezet die ons de goede kant op zou brengen. De chauffeur sprak drie woordjes Engels. Het was al donker en de omgeving zag er niet al te veilig uit en toen we voor een aantal minuten zomaar ergens stil stonden voelden we de spanning oplopen. Gelukkig bleek wederom dat het grootste gedeelte van de mensen in Indonesië de beste bedoelingen met ons hebben. Zijn zoon en dochter kwamen op een motor aanrijden. Zijn dochter, haar naam is Tri omdat ze het derde kindje was, bleek Engels te studeren en wilde ons wel vergezellen. De zoon reed en na een rit van bijna twee uur reden we een weggetje op waaraan een hotel zou moeten staan. We kwamen echt terecht in de middle of nowhere, als we dat nog niet waren, en bereidden ons voor op het ergste. Na vier keer vragen reden we ineens langs een bordje ‘Satwa Sumatra Elephant ecolodge‘ en aangezien er in de verte een klein lampje brandde, besloten we het erop te wagen en te vragen naar een slaapplaats. We reden het terrein op en de manager kwam ons al tegemoet. Hij sprak goed Engels en dat stelde ons gerust. Hij had inderdaad nog een slaapplaats. Na het bezichtigen van de kamer begrepen we langzaam dat het niet zomaar een lodge was, maar een klein paradijs vlak naast de jungle.

Warm water, elektriciteit en een ontzettend grote, schone kamer voor Indonesische begrippen. We tuigden de klamboe op en gingen lekker slapen. Wel in alle staat van paraatheid overigens, want de wilde olifanten uit de jungle komen ’s nachts regelmatig in de buurt van de huisjes. Je kon bij de manager aangeven dat je dan gewekt wilde worden om ze te bezichtigen. Dus met onze kledingsetjes naast het bed en de camera voor het grijpen hebben wij de hele nacht doorgeslapen. Vannacht geen wilde olifanten bij ons huisje helaas, al werden we wel allebei wakker van een toeterend geluid maar dat bleek de moskee te zijn voor het zonsopgang-gebed.

De volgende morgen maakte de wekker ons om 6:30 wakker. We ontbeten in de tuin en smulden van verse toast, eigen gemaakte pindakaas, een omelet, appels en mandarijnen. Naast een aantal personeelsleden was het erg rustig en uiteindelijk bleek dat wij de enige twee toeristen waren! Heerlijk, zo’n paradijsje voor jezelf!

Om 8 uur vertrokken we met de Jeep naar de plek in de jungle waar de olifanten wonen. Er leven ongeveer 200 wilde olifanten op deze plek. 61 hiervan zijn getraind voor hulp in de jungle zoals bomen slepen en water brengen bij brand, maar ook voor kunstjes zoals dansen en voetballen. De overige olifanten leven in het wild samen met ongeveer 40 Sumatran tijgers, enorm veel vogels en een paar neushoorns. De tijgers worden zelden gezien en lopen bij de mensen vandaan. De wilde olifanten daarentegen houden enorm van rijst en komen soms de oogst in het dorp opeten.

Toen we het terrein van de olifanten opreden zagen we er al een paar badderen. De getrainde olifanten leven in gevangenschap. Niet in kooien zoals in de dierentuin, maar op een zeer groot terrein met veel voedsel in de weilanden en water in de meren.


We maakten kennis met Peppi, maar natuurlijk noemden wij haar Beppie (net als de moeder van Iris). Ze was 2 jaar oud en nu al zo’n 300 kg. Ze zat met haar poot aan een lange ketting en kon dus redelijk vrij bewegen. Toen ze ons zag kwam ze er gelijk aanlopen en haalde uit met haar slurf om ons te besnuffelen. Met haar slurf pakte ze onze handen vast en probeerde die in haar mond te stoppen. Vincent kwam iets te dicht bij en kreeg een duw van de slurf in zijn buik. Even werden we een beetje bang, maar “ze wil spelen” werd verteld.

Na wat rondkijken werden twee olifanten voorzien van een kussen. Wij klommen op een stellage waarnaast de olifant met hierop een ‘chauffeur’ stil kwam te staan. Zo klommen we gemakkelijk op de rug van de olifant. Het was een beetje onwennig, maar toen we eenmaal liepen was er geen weg meer terug.

Iris zat op de rug van een vrouwtje (erg kleine slagtanden, haast niet te zien) en Vincent zag op de rug van een mannetjes olifant (grote slagtanden waarvan voor de veiligheid de punt was afgezaagd).


De olifant van Iris werd afgeleid door een voorbij wandelende poes en daarom moest zij zich erg goed vasthouden. Soms was de weg in de jungle nauwelijks begaanbaar en om ruimte te maken brak de olifant van Vincent op commando regelmatig een paar takken af en drukte af en toe zelfs kleine bomen naar de vlakte. Ze braken als lucifershoutjes.
We hebben ruim een uur door het water, de jungle en de velden gewandeld en aangezien de olifant at tijdens de trip draaide het lichaam nogal vaak waardoor we ons soms goed vast moesten houden. Ook bij het uitlopen van het meertje tegen de steile oever op maakten we rare bewegingen.

We hebben een enorm bijzondere tocht met de olifant gemaakt. Het bleek dat wij ook hier de enige twee toeristen waren! Na afloop hielp de olifant mee om een paar boomstammen in een auto te leggen en ook ging er een netjes liggen zodat we een mooie foto konden maken.


Op het laatst kwam er nog een enorme olifant met een hele lange uhm, tja ’snuit’. Die blies helaas het verhaaltje uit..
